Messias

De Nederlandstalige term 'messias' is afgeleid van de Hebreeuwse stam 'mashach'. Dit Hebreeuwse woord verwijst bijna altijd naar de inwijding van voorwerpen door middel van zalfolie. Het werkwoord wordt gebruikt voor de heiliging van voorwerpen zoals de Tabernakel. Het zelfstandig naamwoord 'mashiach' (of 'masjiach') wordt echter alleen gebruikt voor personen. (WikiPedia).

Het Griekse woord voor 'masjiach' is 'Christos' (zie Christus). De Grieken bezigden “messias” en “christos”. “Messias” is de vergriekste vorm van het aramese woord “mesjicha”. “Messias” is derhalve niet joodser dan het griekse “christos”.

Petrus verklaart Mat 16,16 dat Jezus de Messias is: "U bent de messias, de Zoon van de levende God" en de Hogepriester, die tijdens het proces tegen Jezus de ondervraging leidt vraagt Mat 26,63 Hem: "Ik bezweer u bij de levende God, zeg ons of u de messias bent, de Zoon van God.". De vraag van de Hogepriester maakt duidelijk dat 'messias' een woord was dat alléén gebruikt werd voor de Zoon van God, de Verlosser van Israël.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License