Vervangingsleer

De vervangingsleer is kort samengevat 'de leer dat de kerk de plaats van Israëll heeft overgenomen'.

Ds. J. Keith Parker schrijft over de vervangingsleer het volgende:
Wanneer we de vervangingsleer willen omschrijven, kunnen we daarvan de volgende karakteristieken geven:

  • In het plan van God is de christelijke kerk in de plaats gekomen van Israël, of nauwkeuriger geformuleerd, de kerk is het historisch vervolg van Israël.
  • Het Joodse volk verschilt niet van andere etnische groepen, zoals de Engelsen, Spanjaarden, Balinezen: al deze groepen moeten bekeerd worden tot Jezus Christus en kunnen zo de verlossing ook ontvangen.
  • Zonder berouw, wedergeboorte en integratie in de kerk hebben de Joden geen toekomst, geen hoop en geen roeping.
  • Dit geldt evenzeer voor alle andere volken en groepen.
  • In onze tijd, na Pinksteren, is "Israël" (in de juiste betekenis van het woord) de kerk.

(Vervangingsleer, Werk in de Kerk)

Oorsprong
De bron van deze gedachten is al heel oud, en stamt uit de vroege Christelijke tradities. In het "Kerkblad voor het Noorden", 23 april 2004, schrijft C.J. van den Boogert hierover:
In het jaar 70 werd Jeruzalem door de Romeinen verwoest. In de kerk werd de val van stad en tempel al snel gezien als vervulling van de woorden van Jezus waarin hij de ondergang van de stad had voorzegd (Matth. 24:1,2). Men zocht tevens naar een verklaring voor de val. Al snel duikt het woord 'straf' op. Israël werd er door gestraft, zo meende men. Voor wat werd het gestraft? Voor haar aandeel in de kruisiging van Jezus. Israël had haar Messias verworpen. Een volgende stap was de conclusie die daaruit getrokken werd. Als Israël Jezus als Messias verworpen had, dan had God op zijn beurt nu Israël definitief verworpen. Maar Israël was toch het volk van het verbond? Zeker! Wat had God dan met het verbond gedaan? Het zou als nieuw verbond op de kerk 'uit de volken' zijn overgegaan. De kerk was 'het nieuwe Israël' geworden. De kerk had [dus] de plaats van Israël [als verbondsvolk]ingenomen.

Israël werd daarmee 'slechts' een type (zie Typologie), een voorafschaduwing, van wat nog moest gaan komen: de Kerk. Het volk werd daarmee -als verbondsvolk van God- terzijde geschoven door de kerk. Een houding die eeuwenlang de verhouding tussen het volk Israël? en de kerken vertroebeld heeft. Pas na de W.O. II, toen Israël weer een soevereine staat werd, ging men binnen de kerken, langzaamaan, anders denken over het volk. Overigens maakten lang niet alle kerken zich schuldig aan deze gedachtengang. Met name binnen de meer 'evangelisch' gerichte kringen werd al reeds ruim vóór de stichting van de staat Israël anders gedacht over deze zaken. Een bekend voorbeeld hiervan, in Nederland, is de evangelist Johannes de Heer. maar ook John Nelson Darby en vele anderen hingen, op basis van hun interpretatie van de Bijbel andere gedachten aan.

Reeds in het prille begin van het Christendom worstelde Paulus Romeinen 9 t/m 11 met de vraag: Wat is nu de plaats van Israël? Zijn conclusie was:Romeinen 10: 12 t/m 14: En er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die hem aanroepen, want er staat: Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered. Maar hoe kunnen ze hem aanroepen als ze niet in hem geloven? En hoe kunnen ze in hem geloven als ze niet over hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over hem horen als hij niet verkondigd wordt?

Op het apostelconvent in Handelingen 15 wordt er ook geworsteld met deze materie. Daar concludeert men Handelingen 15:14 t/m 17: Simeon heeft uiteengezet hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn naam vereert. Dat stemt overeen met de woorden van de profeten; er staat immers geschreven: Dan keer ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin zal ik het weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd.”

Jodenvervolging
De opvattingen over de Joden als 'moordenaars van Jezus' zijn door de eeuwen heen het excuus geweest Joden als minderwaardig te behandelen en zelfs te vermoorden (de middeleeuwse pogroms). Met als absolute dieptepunt het Nazi-regime: de georganiseerde genocide op het Joodse volk.

Paus Pius XI (1922-1939) was in aanvang gecharmeerd van het Nazi-regime. Wat hij met name in het regime waardeerde was hun afkeer van het socialisme. In Duitsland was de Centrumpartij toen de grootste katholieke partij. Hoewel ze tot 1933 was gekant tegen de nazi-partij wijzigde ze na de parlementsverkiezingen van 5 maart 1933 hun houding tegenover de nazi's. De katholieke leiders vertrouwden Hitler en stelden hem in staat de nazi-partij en de Duitse staat te versmelten. De Centrumpartij ontbond zichzelf op 10 juli 1933. Een week later tekende nazi-Duitsland een concordaat met Paus Pius XI - waardoor het Derde Rijk de garant werd van de burgerlijke en religieuze belangen van Duitse katholieken. Hoewel Pius XI later, op 14 maart 1937, met de encycliek "Mit brennender Sorge" openlijk ageerde tegen het Nazi-regime.
Ondanks dat de joden inmiddels verdrukt werden in Duitsland, sprak hij zich hier echter niet tegen uit. Pas ná de beruchte Kristalnacht begon hij aan zijn encycliek getiteld "Eenheid van het Mensdom" waarin hij het racisme bestreed. De publicatie er van werd uitgesteld en Pius XI overleed.

Hij werd opgevolgd door Paus Pius XII (1939-1958). Pius XII heeft, mogelijk onder invloed van de Jezuïtengeneraal Ledochowski, de encycliek tegen het racisme niet meer laten publiceren. De Duiste Bischoppen stonden pal achter het regime van Hitler; men jubelde de inval in Polen toe ("Martinusblatt" van 17 september 1939). In een brief schreef bisschop Maximilian Kaller in januari 1941: "Juist omdat we christen zijn, zijn we vastbesloten al onze kracht in te zetten, opdat de uiteindelijke overwinning van ons Vaderland verzekerd wordt". De Jodenvervolging was toen reeds in volle gang..

In eind 1942 beschikte Pius XII, aantoonbaar, over de informatie dat de Joden systematisch werden uitgeroeid. Hij reageerde niet. Volgens sommigen omdat hij meer bezorgd was over het verlies van de eigen kerkelijke instelling dan de in gang zijnde genocide. Vermeld moet worden dat anderen van mening zijn dat juist zijn zwijgen hierover de kerk in staat heeft gesteld honderduizenden joden te redden. Men claimt dat Hitler, wanneer de Paus hem voor het hoofd gestoten had, de vervolgingen zou hebben opgevoerd zoals in Nederland was gebeurd na protesten van de kerken. Pius XII trivialiseerde de jodenvervolging in zijn kersttoespraak van 1942 door te spreken over: "die duizenden mensen die, zonder enige fout te hebben begaan en soms alleen maar om hun nationaliteit of ras, voor de dood of aparte behandeling worden voorbestemd", in plaats van over de veel grotere aantallen die werden vervolgd en vergast.

Ernst von Weizsäcker, die in april 1943 Hitlers ambassadeur bij het Vaticaan werd, schreef naar Berlijn: "Ook al werd hij naar verluidt van alle kanten onder druk gezet, toch heeft de paus zich niet laten verleiden tot demonstratieve verklaringen tegen het wegvoeren van de joden uit Rome. Hij moest er rekening mee houden dat die houding hem zal worden verweten door onze tegenstanders. Ook moest hij bedenken dat die houding door protestantse kringen in de angelsaksische landen zal gebruikt worden voor propaganda tegen het katholicisme. Toch heeft hij ook in deze netelige kwestie alles gedaan om de relatie met de Duitse regering en de Duitse instanties in Rome niet te belasten. Het is mogelijk dat verdere Duitse acties in de jodenkwestie hier in Rome niet meer kunnen worden ondernomen; daarom kan men ervan uitgaan dat deze voor de Duits-Vaticaanse relatie onaangename kwestie van de baan is".

Twee zaken vallen hier op: het was voor de Paus wel degelijk een 'ongaangename' kwestie, anderzijds koos hij er voor de relatie met Nazi-Duitsland voorop te stellen, ten koste van de miljoenen slachtoffers.

Het kerkelijk anti-semitisme wordt dus vaak teruggevoerd op ondermeer de vervangingsleer. Dit is zeker waar. Van de andere kant kan niet worden gesteld dat Rome volmondig, op basis van de vervangingsleer, er mee instemde. Wel is duidelijk dat deze leerstellige opvatting de Joden zéér veel kwaad heeft gedaan en ook als excuus werd gebruikt voor anti-Joodse gevoelens, tot op de dag van vandaag.

Kinderdoop
Eén van de uitvloeisels van de vervangingsleer is de kinderdoop. De doop (zie: Doop) wordt dan gezien als de 'bezegeling van het verbond' of de 'opname van het kind in het verbondsvolk'.

Het doopformulier van de Gereformeerde Kerken leert dan ook:
Omdat nu, onder het nieuwe verbond, de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is, moeten de jonge kinderen als erfgenamen van Gods rijk en van zijn verbond gedoopt worden.

Doordat de doop 'in de plaats' van de besnijdenis zou zijn gekomen, stelt men daarmee ook dat het verbond met Abraham, waar de besnijdenis het teken van was, hiermee is overgegaan van Israël, de nakomelingen van Abraham, naar de kerk.

In Kerkblad "De Leidraad", December 2003, schrijft Ds. Moedt, Gereformeerd predikant te Zuidhorn, dan ook het volgende hierover:
In het doopsformulier staat dat onze kinderen, zonder het te weten, uit genade tot Gods kinderen zijn aangenomen. En wel op grond van Gods verbond met Abraham. Uit Abraham is het volk Israël voortgekomen, Gods volk in het oude verbond. Maar in het nieuwe verbond is de kerk het nieuwe Israël. Die kerk bestaat uit bekeerde Joden en bekeerde heidenen. Israël is de oude boom. Enkele van de takken zijn weggebroken. Het zijn de Joden die Christus verwerpen.

Het is met bovenstaande citaat dan ook duidelijk dat tot op de dag van vandaag deze 'vervangingsleer' door veel Christenen nog steeds volmondig beleden en gepraktizeerd wordt.

Bronnen:

  • Werk in de Kerk
  • Kerkblad voor het Noorden
  • Uitpers, April 2002
  • De Leidraad, December 2003
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License